De Laugavegurtrail en de Fimmvordürhalstrail, verslag van Tom

(Hieronder het gedetailleerde dagboekverslag van Tom. Voor mijn fotoverslag klik hier)

Vandaag, zo 16 aug 2026. 15e vakantiedag, 11e dag op IJsland.

We gaan naar Landmannalaugar! Vanochtend wakker geworden in Riverside Guesthouse, meer een hostel dan een hotel. Kleine kamers, geen eigen wc/douche, één wc/douche voor alle mannen en één voor vrouwen. Tot overmaat van ramp gaf de douche alleen loei heet water, ik kon het er niet onder uithouden. Voor de tweede keer stond ik daar weer in m’n hemd, eh, vergeefs in m’n nakie. 

Laatste spullen in de auto, zo ‘onzichtbaar’ mogelijk erin opgeborgen. Die staat daar immers zes dagen onbeheerd. Maar het is door de vele spullen schier onmogelijk de auto zo in te pakken dat je niets ziet. De achterbak is stampvol en ook liggen er spullen tussen de banken en op de grond voor de voorstoelen verborgen. 

De auto staat geparkeerd voor het guesthouse, is dat nog ergens goed voor. We hopen maar weer op de eerlijkheid van de IJslanders. 

Op tijd op weg naar de bus. Die stopt hier in Hella ‘voor de supermarkt’, voor Kjörbúdin. Een halte aan weg 1 vanaf Reykjavík. Een chauffeur komt uit een van de bussen en begint ons te controleren. Er gaan bussen naar alle kanten, niet alleen naar Landmannalaugar, ook naar Porsmork. Niet in de verkeerde bus stappen, dus. 

Onze buschauffeur blijkt een heel vriendelijke man. Heet ons welkom, zegt dat we zo vertrekken, maar haast niet. Is vast een vooroordeel dat ik verwachtte dat de chauffeur een norse man was. Fasten your seatbelts, dat moet wel. Over de F226 -die over het stuk dat wij moeten hebben geheel geasfalteerd is- rijden we het binnenland in. Hier liggen her en der verspreid nog boerderijtjes. En campings. En ik denk een check-in hotel te zien. 

Dan slaat de bus de F225 in. Die is verhard (of is het juist onverhard?), het hobbelt en hotst alle kanten op. Fasten your seatbelts zegt de chauffeur nog maar es. Het landschap wordt nu snel ruiger: velden met lavastenen, met gras begroeide heuvels, zandwoestijnen, zwarte-steenwoestijnen; het is soms mooi, soms te woest voor mij. Ik zou hier liever geen trektocht ondernemen. We halen 4 x 4’s in, want de chauffeur racet lekker. De 4 x 4’s die we tegenkomen, zoeken een passeerplek of anders ontwijkt de chauffeur ze behendig. Na ongeveer tweeënhalf uur bereiken we Landmannalaugar.

Ff moeten we ons oriënteren. We zijn aangekomen op een groot vlak terrein met meerdere grotere en kleinere gebouwtjes, een parkeerplek waar flink wat auto’s, campers en bussen staan en een stenen veldje voor tenten. Bij de infobalie kunnen we ons inschrijven. We zullen slapen in het achterste gebouwtje, dat over een uurtje beschikbaar is. In room 3, een slaapzaal voor ca 20 personen, wel aanschuiven a.j.b. Wc’ en douches in een ander gebouw, dat we delen met de kampeerders. Dat wordt vannacht een paar keer naar buiten lopen. Douches 5000 kronen voor 5 minuten, nee dat kan niet, dat zou verschrikkelijk duur zijn. Maar we hoeven ze niet, we springen straks nog in de warmwaterbeek die hier vlak achter stroomt.

We drinken koffie bij de foodtruck die hier zomaar staat. En we zitten en acclimatiseren even op het terras van picknicktafels. Fijn. Daarna ff wat brood eten met daarop Philadelphiakaas (‘Die is zo lekker’).

Dan maken we twee wandelingen die we aan elkaar knopen, één van 4,3 en één van 3,5 km, samen ca. 7 km. 

Het pad duikt een lavaveld in en is meteen onbeschrijfelijk mooi. Er is hier een natuur die er bij ons niet is: zwarte en rode lava, gele zandbergen met groenegras-toppen, doorkloofde bergen, lege zandvlakten, vlakten eindeloos begroeid met veenpluis, stomende plekken, enz. We fotograferen er op los, net als al die andere Laugevargangers, want we lopen hier niet alleen, zeker niet op het eerste stuk. We proberen onze fotolust wel te matigen, want wat moet je met honderden foto’s? 

Op het tweede stuk wordt het wat rustiger. We krijgen een fikse steile klim voor de kiezen, de Brennisteinsalda van ca. 850 m hoog. We kwamen van ca. 550 m, dus een goede oefening voor morgen. Én tijdens klim en op de top worden we beloond met prachtige vergezichten. 

Na de wandeling -en nog eens wat brood- lopen we naar de warmwaterbeek. In een soort vijvertje baden tientallen mensen. Het water is er heerlijk, fijne temperatuur, juiste diepte om te liggen, stenen om te leunen aan de rand. We kruipen erbij en blijven ons een half uurtje verwarmen. 

Na nog een biertje (An) en koffie (ik) bij de foodtruck -het kan hier nog-, maken we ons eten. Couscous en kerrie kip uit gedroogde pakken Turma (?). Het is lekker en genoeg. Of is het genoeg en ook best lekker? Ja, dat laatste. Eten uit die gedroogde pakken is ons avondeten voor de komende zes avonden. Het is goed. We komen niets tekort.

En nog een misverstand… Onder de 8 minuten dat het eten welde, ging ik naar het toilet. Dat betekent: binnenschoenen uit, bergschoenen aan. Ik loop nietsvermoedend de crocs die ik uit de rekken pakte, het schoenenhok in. ‘Hey’, zegt een Amerikaans meisje, ‘These’re mine!’ ‘Really?’, zeg ik, ‘Oh my God, I thought I could use them, that they belonged to the hut.’ Snel van mij om het misverstand dadelijk in te zien. Gelukkig ook, want daardoor loste het misverstand zich snel op. ‘No’, zegt het meisje, ‘They’re mine!’ ‘Oh, well, here they are. A pity, they’re just fine!’ Daarmee was het misverstand opgelost. Wel jammer, ze zaten echt lekker. Eén ding snapte ik niet -en ging wel onmiddellijk door mijn hoofd-: Hoe kunnen crocs die mij perfect passen, eigendom zijn van zo’n jong meisje!

Vandaag, ma 17 aug 2026. 16e vakantiedag 😝, 11e dag op IJsland, 1e wandeldag Laudevagur-trail.

Gisteravond op tijd naar bed gegaan. Want beneden, waar wij in twee luie stoelen zaten, kwam nieuw gerucht uit de keuken. De hele avond al, van een groep Japanners (meer specifiek: van een bijna schreeuwende man en vrouw, die klaarblijkelijk de groep leidden of misschien de onbetwiste leiders ervan waren), maar nu opnieuw van op luide toon sprekende groep mannen. Tel daarbij op de kou die van buiten kwam doordat mensen die van buiten kwamen, ‘vergaten’ de deur dicht te doen, dan heb ik mijn keuze snel gemaakt. 

Boven was er wel minder lawaai, maar waren mensen aan het rommelen met de spullen. Net als wij natuurlijk ook constant doen. De twee kinderen van de IJslanders lagen erin maar stonden steeds op, een vrouw in de hoek deed uren over haar toilet en een vrouw helemaal aan de andere kant deed jaloezieën naar beneden, maar verzuimde het licht uit te doen. Nu ja. Ik probeerde te slapen, dat lukte. Alleen na een half uurtje werd ik weer wakker. An was boven gekomen, verder waren nog wat mensen bijgekomen die ook begonnen te rommelen. Ik had er spijt van dat ik niet eerder, voor ik in slaap viel, de lichten had uitgedaan. Nu weer andere mensen zich klaarmaakten in bed te gaan, was daarvoor geen gelegenheid. An sliep intussen als een prinses. Ik probeerde ‘t ook weer, maar deze keer lukte het niet. Op een gegeven moment, toen de moeder van de kinderen gereed was, greep ik mijn kans: ‘Could you turn the light off’, vroeg ik. Ik had eraan toe willen voegen: ‘when you are ready?’ Maar ze zei al: ‘Yes’, en was haastig opgestaan om het licht uit te draaien. Wie weet kwam het haar ook. goed uit, hadden haar kinderen dit nodig om in slaap te komen. 

In ieder geval viel ik hierna al snel in slaap.

Hoe zo’n nacht in de hut is? Ik vertel het later. Nu over de tocht van vandaag.

Het miezerde. Niet heel erg, tenminste, soms nam de regen toe en miezerde het hard, maar het waaide flink. Dus, net als alle andere wandelaars, regenspullen aan.

Het eerste stuk wandelden we gisteren. Nu in de miezer, loopt dat ff anders. Er was nu weinig tot geen zicht. Gelukkig hadden giateren we van dit gebied genoeg foto’s gemaakt. 

Na dat eerste stuk sloeg het pad de Brennisteinsalda op. Omhoog dus, we hadden deze dag ca. 550m te klimmen. Naarmate we hoger kwamen, nam ook de wind toe. Dus uitkijken dat een windstoot je niet van het pad afwaaide. Meer wind betekende ook meer kou. An stopte om haar handschoenen aan te doen. Ze kreeg ze amper over haar natte koude vingers getrokken. Daarna verder naar boven.

Veel tijd om op die eerste top, de Brennistein Söldu (South of Brennisteinsalda), op 923m, te blijven staan, was er niet. Daarvoor waaide het te hard en werden we te koud. Door moesten we, wel met weergaloze vergezichten rechts en links. Helemaal prachtig werden die na de volgende top, op 940 m, 1 km voor Störihver: enorme sneeuwvelden, geelrode gekloofde bergen, groene rivierdalen en, bij Störihver, geisers en geisertjes die stoom uit de grond deden opspuiten. 

Bij de geisers haalden we een groep 9Nederlanders in die de tocht ook liepen. Georganiseerd door een bedrijf uit Arnhem. De leider van de groep zei de wandelaars op dit punt voor 7 minuten te rusten en zij verdwenen achter een rotsheuvel. Wij liepen door en zochten voor onze pauze ook plek. Want al een tijdje wilden we stoppen voor op z’n minst een energiereep. Maar we bleven hoog lopen, er kwam geen beschutting. Zodat we, bij een bord dat aangaf dat we nog 3 km van onze bestemming, de hut Hrafntinnusker, verwijderd waren, besloten door te lopen. Spijt hadden we dat we niet ook op dat punt bij Stöhriver waren gaan pauzeren. De groepsleider die de tocht eerder zes maal liep, kende het terrein van haver tot gort. Daar hadden we genruik van kunnen maken. Een les voor het vervolg. 

Heel dat pad bleef hoog en liep door een terrein met zwart kraterzand en zwarte kraterstenen. Eigenlijk verwachtte ik dat we wel ergens halt konden houden. Maar de wind bleef ons om de oren blazen. Dus zetten we door, spraken we onze reserves aan en liepen we door tot de hut uit de mist opdoemde. 

De huttenwaard bleek een aardige man. Hij maakte ons wegwijs in de hut (net als de Landmannagauerhut uitgerust met slaapzalen en keuken, maar anders dan die hut met buitenom een paar droogtoiletten en wasbakken). Bij toonde ons ook waar te slapen (grote hut boven, in een hoekje). 

We namen onze zuurverdiende reep, aten een paar crackers met Philadelphiakaas (nog altijd) en zochten beneden een zitplaats. Want beneden is het, met de voor dit weer broodnodige verwarming, veel warmer dan boven.

Wij kwamen aan om ca 14.00u. (We liepen over die 12 km en 550m stijging 4 uur.) We installeerden ons om ca. 15.00u. Tot 16.30u was het gevuld, niet heel druk. Vanaf die tijd kwamen de wandelaars in drommen druipnat binnen. De hut is stampvol. 3 droogtoiletten, 3 of 4 plaatsen aan een lange wasbak. En douches? Denk het niet maar we moeten het nog definitief onderzoeken. (Net als de plaats waar die arme kampeerders hum tent kunnen opzetten.)

Zo’n hut? Chaos. Iedereen zoekt z’n weg. Er is geen ruimte met banken waar je kunt zitten, her en der zijn wat bankjes geplaatst. Niet genoeg voor allen. Je kunt op je slaapplaats gaan zitten of liggen (80 × 200 cm). Er is een keuken waar het water constant aan de kook wordt gehouden. 2 grote gaspitten waarop voor groepen gekookt wordt (= eten verwarmd wordt), 6 kleine fornuizen met elk 2 gaspitten, keukengerei. Dat alles op een oppervlak van 3 m x 5 á 6 m. Daar kan niet gegeten worden, dat zal moeten plaatsvinden op de slaapzalen, waar tussen de matrassen aan weerszijden van de ruimte nog wat tafels en banken zijn gemoffeld. Was- en toiletgelegenheid: zie boven. 

Mensen lopen rond, zoeken een fijne plaats voor hun bagage, proberen zich wat te wassen etc. Af en toe loopt de hele ruimte waar wij zitten, helemaal vol. Af en toe is het rustig en vraag je je af: waar is iedereen? Nou, dat heb ik geïnspecteerd: de groepen zitten beneden in een iets grotere ruimte aan tafels of zitten en liggen op bed, de losse wandelaars boven zitten of liggen voor het merendeel op bed en enkele zitten aan tafels in de voor zoveel mensen te kleine, wat zandige ruimtes. Wij heben ons toevlucht gezocht op een bankje in een middenruimte. Heel onrustig, want wie naar de slaapzalen, de keuken of naar de wc’s buiten wil, moet hier doorheen. 

Ff jammer dat het zulk rotweer is. Je kunt niet naar buiten.

En de kampeerders? Die verkleumen op hun kampeerveld beneden de hut, op een winderig en ijskoud stenig veld onder de sneeuwvelden. Enkele schuilen klandestien in de voorruimte van de hut voor de kou.

Vandaag, di 18 aug 2026. 17e vakantiedag 😝, 13e dag op IJsland, 2e wandeldag Laudevagur-trail.

Vandaag van hut Hrafntinnusker naar hut Álftavatn, 12 km (dacht eerst 16, maar dat is morgen de afstand).

Vanmorgen vroeg wakker (7.00u) door al het gerommel van mensen die ook wakker werden, zichzelf zo goed en zo kwaad fatsoeneerden, hun spullen gingen pakken en ontbeten. Zelf rommelde ik ook diep in de nacht (01.00 en 04.00), de eerste keer door in de pieszak te piesen, de tweede keer door naar het buitentoilet te gaan. (Het werd al half en half licht, ik durfde niet meer ‘in (of is ‘t “aan”) de pieszak. 

Mezelf geschoren in de toiletruimte. T.o. de vier droogtoiletten is een lange metalen wasbak met vier waterpunten. Daar kon ‘t. Toiletten en waspunten waren niet te druk. Nee, dat haalt je de koekoek, het stinkt daar zo afgrijselijk, daar kom je alleen als het hoog en hoog nodig is. Vooral de eerste droogtoilet was vreselijk. Ik werd onpasselijk van de lucht. 

Na het ontbijt -we aten elk ‘Adventure experience’ een ontbijtzak van …- begonnen we om 9.00u. aan de tweede etappe. 

De eerste helft van deze tocht liepen we over een hoogvlakte van zwart lavazand en -stenen. Ik verwachtte dat we snel zouden afdalen. In de hut hing immers een pentekening, waarop het pad snel en scherp naar beneden liep, waarna de rest van de etappe vlak zou zijn. Maar we bleven hoog, we daalden niet. De wind was hard en koud, wel meestal in de rug. Om ons heen, op alle omliggende bergen, sneeuwvelden. Die brachten ook geen warmte. An zette, naast de regenkap, haar muts op en had wanten aan, net als gisteren. Op een heel aantal punten steeg er stoom uit de bergen. Geisers, we roken de zwavellucht. We liepen langs warmwaterbronnen, de kleuren varieerden er van geel naar rood naar bruin. Prachtig hoe die aftekenden tegen het zwart van de lava. 

Wanneer daalden we nou es? Het pad over de hoogvlakte voerde door metersdiepe kloven met steile hellingen. Eraf was vaak een hel: steil en glad. Erop ging wel, al waren we blij met de voettreden van voorgangers.

Na 6,7 km bereikten we het hoogste punt van de Jökultunger: 923 m. Over die pas ging het naar beneden. Nog een klein stukje zwarte wereld, terwijl in de verte al de groene wereld gloorde, groene bergketens in rijen naast elkaar. In één keer ging het omlaag van 900m naar 600m. Weer steil, het IJslandse pad doet niet altijd aan de zigzagtactiek die wij kennen van de Alpen. Beneden zag de natuur er een stuk vriendelijker uit. Groene bergen, groene weiden, rivier die er doorheen loopt. Het hielp natuurlijk ook dat de zon zich meer liet gelden, het was nu ook een stuk warmer.

Die rivier die moesten wij nog wel oversteken. Dat betekende: schoenen uit, sandalen aan, en waden door het water. Een kabel die over het water was gespannen maakte de oversteek gemakkelijk. Je houdt je vast en waadt. Heel fijn gedaan, Laudavegur- organisatie!

Het laatste stuk liep vlak, over begroeid lavaweiland, in de richting van een groot meer, het Áltnavatn. Daar lag ook de gelijknamige hut. Op deze lager gelegen velden zagen we weer wat bloemen: Engels gras, het kleine kranige bloempje dat familie is van het duizendblad en een -voor ons- nieuw soort: ezelsoor. Zo genoemd naar het blad? Ik kan niet wachten dat op te zoeken. Maar dat moet later, want hier is geen bereik. 

>de hut, info, zo’n lieve huttenwaard, en douchen, einddlijk na Hrafntinnusker

>het meer, prachtig in de zon, mossen oevers, zwartzandsranden, 6km eromheen

>de bar, hier, op dit afgelegen terrein. Er gaat wel een F-weg (niet naar Hrafntinnusker, maar groepen wel diner beteid/ gebracht en hut bevoorraad (zij het minimaal: wc-pp, schoonmaakspullen). An: geheime F-weg, want nieg op de kaart.

>de hut, eten, eerst verlaten iets later gevuld, maar geen vergelijk met de eerdere Hrafntinnusker. Daar 4 x xo veel mensen

>de Letse vrouw, huilend van kou, ontberingen van eerste etappe, ook van wandeltocht van vandaag. Lengte vd tocht (+ excursie), zwaarte vd tocht, kamperen in regen, kou, wind. Langzaamst van 9 personengroep. In 5 dagen, laatste 27 km in één keer!

Vandaag, wo 19 aug 2026. 18e vakantiedag 😝, 14e dag op IJsland, 3e wandeldag Laudevagur-trail. Van Álftavatn via Hvanngil naar Emstrul. Ca. 15, 16 km.

Vannacht lekker geslapen. De aardige mevrouw van de Álftavatn gunde ons een tweepersoonskamer. Heerlijk! Zo fijn om een beetje privacy te hebben in een hut met 20 personen!

Aanstaande avond en nacht worden anders. Wel een aardige mevrouw – al die IJslandse huttenwaarden zijn aardig, heel fijn -, maar we zijn als enige individuele wandelaars ingedeeld bij een groep. Wij waren er het eerst dus konden een bed uitkiezen. Maar de hut is zodanig, dat het niet veel uitmaakt. Behalve dan dat we ónder slapen. 

In een hut van 6 bij 8 m zijn 10 stapelbedden (naast) elkaar geplaatst, staan er 2 picknicktafels voor ca 14 personen (dat wordt inschikken met eten) en is een keuken geïnstalleerd met 1 fornuis (2 gaspitten), 1 wasbak, aanrecht en keukengerei. Alles in één, dus. Geen enkele privacy, geen rustig plekje, je moet blij zijn met een zitplaats (anders liggen op bed!).

Het eerste deel van de wandeling van vandaag, van Álftavatn tot Hvanngil voerde nog door de groene wereld. Dus genieten van de groene ketens, de puntbergen en van de vele kleuren groen tot gifgroen toe. 

Onderweg een oversteek over een rivier met een brug, maar ook een rivier, de Kaldaklovskvísl, die we moesten waden. Het was een niet te moeilijke oversteek. Geen touw, maar we passeerden de stroom vlotjes. Wel bergschoenen uit, sandalen aan, oversteken en de bergschoenen weer aan. Maar dat is wat die wandelaars willen!

In Hvanngil zomaar koffie aan de hut. Lekker. Wel een tochtige plek, dus al snel gingen we weer. 

Het tweede deel van de wandeling voerde in zijn geheel door zwarte lavavelden, om precies te zijn: door ware woestijnen van lavastenen en lavazand. Zwart, zwart, zwart. Er kwam geen eind aan. Elke keer na een riviertje, na een bergketen doemde er een nieuwe woestijn op. 

Op een infobord werd de charme ervan weergegeven: ‘…amazing.., because of the dramatic contrast of black sands and green moutains’. Dat klopt natuurlijk, het enorme contrast doet je steil achterover slaan. Maar voor ons wandelaars was die tocht van ca 10 km desondanks een eindeloze wandeling.

Ergens aan het begin van dit deel van de dagtocht, moesten we een nieuwe rivier over, de Bláfjallakvísl. Deze rivier was een stuk groter en wilder dan de vorige. We zagen waar de Arnhemse groep met gids (waarmee we eerder kennismaakten) overstak en besloten de oversteek daar te maken. Immers, zo’n gids kent deze streek beter dan wij. Weer het ritueel met de schoenen, maar nu ook de bergschoenen aan de rugzak vastgemaakt en niet in de hand. Langzaam gingen we het koude water in. ‘Houd je blik op de overkant, niet op de rivierbodem’, is het devies. Dát is moeilijk, je wilt toch zien waar je loopt. Een klein stukje door het water naar een lavagrinten bank, daarna het wildere stuk. We voelden het water trekken, je moest echt weerstand bieden. Toch was er geen moment dat een van ons zou vallen: de gids had een goede doorwaadplaats uitgekozen.

Op de woestijnwandeling handhaafde zich – ondanks de kou, de vaak harde wind en de stormen die er woeden – toch plantjes. Niet veel soorten, en ook niet overvloedig, maar ze zijn er wel. Engels gras, maar niet te veel. Vooral veel blaassilene, in plukjes, maar wel overal en uitbundig bloeiend, hun tere witte blaadjes wijduit spreidend! Op een enkele plaats zuring, althans daar leek het op. In een van de laatste woestijngedeelten, een soort graan, wrs overgewaaid uit de akkers (zandhaver, nnaar later bleek). En in het allerlaatste stuk naar de hut: plukjes gras in autosporen. Daar spontaan gegroeid omdat er zich water verzamelde? Of gezaaid, om de aangroei van groen in de woestijn te bevorderen of zandstormen tegen te gaan? 

Al met al geen grote oogst, maar in deze onherbergzame streek kunnen maar weinig planten ontkiemen en tot bloei komen. Pluim voor de plantjes die dat wel lukt! 😁

Na flink wat woestijn ontwaarden we weer een richtingaanwijzer. Ah, hoe ver zou het nog zijn. An gokte 4 km, ik 3,5 km. Er bleek nog 5,7 km te gaan! De moed zonk ons even in de schoenen. Maar je moet door! Dus nog wat rusten en een energiereep ertegenaan. En met een dextro in de mond en één in de hand, met hernieuwde energie weer verder. 

Een eind verder weer een richtingaanwijzer. Onze gok bleef dezelfde, het bleek 3 km. Verheugd liepen we verder. Op een gegeven moment achter elke heuvel de hut Emstrur verwachtend. En elke keer bleek die hoop vergeefs. Nog een heuvel moesten we op, nog een, en nog een. Op het laatst ook nog een bocht om.

Maar daar lag dan uiteindelijk de hut, verscholen achter een laatste hoge berg. Of hutten, vier in getal: een info en drie slaap- annex zit-en-verblijf- annex eethutten.

Rondom de hutten vrolijk gekleurde kleine tentjes. Op de achtergrond terrassen zwarte lava- en met groen bedekte lavabergen. Net een open steenkolenmijn.

Vandaag, do 20 aug 2026. 19e vakantiedag 😝, 15e dag op IJsland, 4e wandeldag Laugavegur-trail. Van Emstrul naar Þörsmork. Ca. 15 km.

15 km is niet te veel, zou je zeggen. Maar de 15 km van vandaag op de Laugavegur- trail was echt genoeg. 

De wandeling was afwisselend! 

> We begonnen in het zwarte gebied, de steenkolenmijn zogezegd. Maar al gauw was er begroeiing en die werd naarmate de dag vorderde meer en meer, totdat we aan het eind van de tocht in een heus bos belandden. Het enige bos op IJsland? Wij hebben in de bijna 3 weken dat we nu hier zijn, wel beplantingen gezien, maar geen bos!

> Verder passeerden we wat riviertjes. Of rivieren, want enkele stroomden door een heuse canyon. Over een paar riviertjes lag een brug, lekker. Over drie niet, die moesten we zelf oversteken. De eerste was gemakkelijk, we konden van steen tot steen door de rivier stappen, de tweede lag droog, de derde noodzaakte ons tot het ritueel van de schoenen. 

> We daalden steeds verder af. Waren we de vorige dagen boven de 1000m, met arctische temperaturen, nu liepen we naar een gebied met een warmer klimaat. De enige plantjes daarboven, kregen nu gezelschap van kruipend tijm en zuring. En later zelfs van vergeetmenietjes en berm-ooievaarsbek. De eerste boom die we zagen was een berk, het bos bij Þörsmork gevarieerd. De natuur hier begint te lijken op die wij kennen. Een moment dachten we zelfs in de duinen te lopen (maar dan met wel wat forse hoogteverschillen).

De hut Laugedar bij þörsmork is prettig. Niet te druk, omdat er meerdere hutten zijn. Met 2 slaap-, zit- en kookverblijven, met een shop waar je wat dingen kunt krijgen (ook koffie, bier en 0.0), wel beperkte toiletgelegenheden en douches maar alla. 

Morgen naar Fimmvörduháls, waar we de Eyjafjallajökull aan de ene en de Mydálsjökull aan de andere kant passeren. 

De maquette van Sigurrður Halldórsson van de twee gletsjers is magnifiek. Hoop dat An ‘m opneemt in het beeldverslag.

Vandaag, vr 21 aug 2026. 20e vakantiedag 😝, 16e dag op IJsland, 5e wandeldag, 1e wandeldag Fimmvordürhalstrail. Van Þörsmork naar de F-hut. Ca. 12 km. 950 hoogtemeters.

Vandaag wandelden we dwars over de jongste eruptie van de Eyjafjallajökul, de vulkaan die op 14 april 2010 uitbarstte. De vulkaan legde op 15 en 16 april het complete luchtverkeer plat van 40 landen!

De uitbarsting was nabij de Fimmvordürhalspas, de lava stroomde over de trail. 

Wij wandelden er vandaag. We volgden een nieuw pad dat over de brokkelige lava was gebaand. Een moeilijk pad, want onregelmatig. Deze nieuwe lava was groter, brokkeliger en ook zwarter dan die waarover we eerder wandelden. Stak ook enorm af tegen de sneeuw- en ijsvelden en gletsjers die hier talrijk zijn. 

Het was het sluitstuk van een zware klim. We begonnen van de hut in Þörsmork, liepen vlak naar Básar en begonnen toen aan de stijging. 

Voor mij een moeijke klim. Waarom? Nou:

> Best wel wat meters omhoog (in boekjes staat 1000m, soms staat er 950m, terwijl op een bord bij þörsmork 850m staat).

> Die IJslanders klimmen vaak te recht, daarmee te steil, de berg op. In de Alpen zijn ze meer van zigzaggen, dat bevalt me beter!

> Er zat een gevaarlijk stuk bij, dat niet gezekerd was. Een onregelmatig smal stuk over een rand, met rechts en links afgronden. Alsof je op een smalle plank over een brede sloot loopt. Maar dan met dramatische gevolgen als je valt.

Er was nog een gevaarlijk stuk, maar daar hing een ketting. Die kon je vasthouden en, wat verder, je omhoog trekken naar een plateau. 

> Op het laatst, we waren moe, nog een lastig stuk over die nieuwe lavavelden, met nauwelijks een pad. En nog extra klimmetjes naar de hut over een chaotisch terrein. Ook daar was nauwelijks een pad. Wel markering dmv stokken. Beneden blauwe, in sneeuw en mist gele markering, goed zichtbaar. Goed gedaan door de pad- organisatie, de FÍ, de Ferðafélag Íslands, Island Touring Association.

Nu dan in de hut. Een kleine hut voor 16 personen (op het moment 4 en dan nog de huttenwaard). Er is één ruimte, waarin gekookt, gegeten, gezeten en geslapen wordt. Lekker op elkaar dus. 😛 De bedden aan weerskanten, 2-hoog, steeds 2 mensen op 1 matras. Als het niet druk wordt, kan ik misschien een eigen matras nemen. Maar het is koud, de kachel is stuk, dus dat doe ik maar niet.😄

Vandaag, za 22 aug 2026. 21e vakantiedag 😝, 17e dag op IJsland, 6e wandeldag, 2e wandeldag Fimmvordürhalstrail. Van de Fimmvörduskali/Fimmvördushut naar Skogar. Ca. 950m afdalen.

De afdaling van vandaag bleek veel en veel moeilijker dan gedacht. Sterker nog: als ik geweten had dat ie zo lastig was, had ik me waarschijnlijk twee keer bedacht om aan deze wandeling te beginnen. 

Het begon meteen vanuit de hut. (Die we tussen haakjes nog deelden met een stel Polen. Die, gisterenavond laat doornat aangekomen, namen veel ruimte in. Om te eten en te drogen. Begrijpelijk, maar vervelend. Alle andere hutgangers gaven ze de ruimte. Vanmorgen echter werd het me teveel. Ik kon maar niet bij mijn spullen. En eenmaal bepakt en bezakt kreeg ik geen gelegenheid mijn schoenen aan te doen in de voorruimte. Telkens moesten ze erdoor. Op een gegeven moment begon ik te vloeken en blokkeerde ik de ruimte. ‘Godverdegodver! Nu ben ík hier ff bezig! Mieter op!’ Als ik kwaad word, kan ik heel onaangenaam worden.)

Het begon dus meteen vanuit de hut. An had de huttenwaard gevraagd hoe we moesten lopen. Die raadde een shortcut aan, een kortere route. De hut ligt namelijk iets van de trail, we moesten daar weer op zien te komen. 

Dit zijpad was bijna niet te doen. Het ging over gladde heuveltjes en door sneeuwveldjes. Het was gemarkeerd met gele paaltjes, maar herhaaldelijk zagen we die door het slechte zicht niet en moesten we zoeken. Want het waaide en regende (dit bleef de hele dag) en er hing een dikke mist, waardoor we geen hand voor ogen zagen. 

Eenmaal waren we de weg kwijt en discussieerden we welke kant we op moesten. An wilde een sneeuwveldje rechts nemen, ik wilde meer naar links. Gelukkig zagen we opeens een gele paal en strompelden we een zwarte uit lavazand bestaande heuvel op en een rivier (nu sneeuwveldje) over. 

Maar nu kwamen we bij een kloof, waarin het sneeuwveld half water was geworden en scheuren vertoonde. Aan de overkant begon, zo te zien, een ijsveld over een heuvel. De shortcut wees met gele palen idd deze weg. Maar ik dacht: ‘No way. Dit ga ik niet doen.’ Dan liever terug naar de hut en de weg nemen waarover we gekomen waren. An aarzelde, maar zag toch ook de waanzin van deze weg in. 

Wij terug naar de hut. Daar aangekomen – alles was er stil, iedereen was blijkbaar weg -, volgden we de ons bekende route naar de hoofdtrail. We bereikten die dwars door het chaotische landschap. Wij, blij dat we die nu hadden, liepen met hernieuwde energie. Maar wat denk je, na enige tijd stonden we op hetzelfde punt als eerder! Vóór de kloof, vóór het smeltende sneeuwveld en de ijsberg aan de overkant! We hadden een rondje gelopen! De hoofdtrail nam deze ongelukkige weg! Hier moesten we de berpas Fimmvörduháls nemen. 

We hadden geen keus. We raapten alle moed bij elkaar en gingen. De kloof en het in elkaar gestorte sneeuwveld gingen nog. Op het ijsveld stonden de gele markeringen, dus we moesten er echt over! Wat was dit? Wie had dit bedacht? 

In de mist zagen we ineens een touw. Het lag vast aan de markeringen, we konden het vasthouden terwijl we eroverheen liepen. Glippend en glijdend, An eerst, daarna ik, waagden we de oversteek. Er waren drie trajecten van ongeveer 50 m die elk met een touw gezekerd waren. Het touw hielden we stevig vast, maar die verdomde stokken zaten in de weg. Ik gooide ze over mijn rug, dat ging beter. En onderwijl maar die harde wind en regen. Het touw kon niet verhinderen dat ik viel. Dat was nu al voor de vijfde keer, deze dag. Auw, op mijn linker heup. Niks gebroken, maar was m’n bril nog heel? Die had ik al op de shortcut in mijn zak gestoken, want mét zag ik helemaal niks. An maakte een foto. Wilde ik dat wel? Maar voorlopig moest ik me kwaad maken om hier weg te komen. Ik hield het touw nu strak en bereikte het einde van het ijsveld. God zij geprezen!

Na het ijsveld bleef het een lastig pad. Met zandige en stenige heuveltjes, met lavakeien, met kloven, enzovoorts. Maar geen sneeuwveldjes meer. An voorop, ik – blind – vlak achter haar aan. Drie personen passeerden ons, ook zij hadden die lastige passage gedaan. An sprak hen aan: ‘Wasn’t that quite some track?’ De voorste man keek even en zei: ‘Not in the mood for talking!’ Niet echt vriendelijk, maar wel begrijpelijk. Opeens hoorde ik een van de drie, een vrouw zo klonk het, roepen: ‘The hut!’. Uit de mist doemde de Báldvinnskáli op, een metalen geval. De drie gingen naar binnen. Wij overwogen om ook de hut in te gaan, om wat op te warmen, maar zagen op tegen het uit- en aandoen van de kletsnatte wandelschoenen. We liepen door.

Het vervolg bleek een weg voor terreinwagens, een ‘jeeppad’. Fijn, zo konden we de weg niet meer kwijt raken. We liepen, en liepen. Over het met keien bezaaide pad. Niet gemakkelijk lopen, op een enkel stuk na, dat dan nagenoeg vlak en egaal was. 

Ook regende het maar door en waaide het onbarmhartig, zeker als we bovenop een heuvel een soort pas namen.

Langs de weg een eerste wegwijzer: Skogar 9,8 km. 2,2 km gelopen. Oei, we waren er nog lang niet. Nog zeker 2,5, misschien 3 uur. Stilstaan was geen optie, daarvoor was het te koud. Dus door.

Na nog 2 km – we werden even van het jeeppad geleid naar een wandelpad, maar toch weer terug – zagen we een hutje, links in de mist. Even kijken. Er zaten twee deuren in, een met een slot, de ander niet. Maar we kregen die met onze natte koude vingers open. Dan maar even erachter staan, uit de wind en regen. 

Plotseling stond er een jongen voor ons, 

ook een wandelaar, vanuit Skogar. ‘Hi, are you hiding?’. Ja, maar we kregen de deur niet open, hij wel. Het bleek een stahut voor twee. Prima om te schuilen, maar wel koud. Wij gingen door. 

5 minuten later kwamen we aan bij een wilde rivier, het was de Skógá. Oh! Moesten we daar overheen? Doorheen? Nee, hé! An had gelezen over een brug, maar we zagen die niet. 

Wij terug om het die twee te vragen. En ja, er was een brug! Naar rechts de rivier volgen en dan lag ie daar links! Gelukkig. 

Wij erheen, rechts van de rivier en na nog eens een heuveltje zagen we hem: een heuse voetgangersbrug. De terreinwagens moesten blijkbaar wel door die onstuimige rivier. 

Na de rivier veranderde het pad. Niet meer over een jeeppad, niet meer door zand en keien, maar over een kleipad in een groen heuvellandschap. Langs de rivier. De klei was sompig en glad door de vele regen. Oppassen geblazen, vooral met steil naar beneden gaan. We glibberden en gleden en ja, nu viel An een keer. Niet fijn. 

Verder. Oppassen bij sommige stukken vlak langs de rivier. 

Over de hele trail storten meer dan twintig watervallen naar beneden. Maar het was ellendig weer, dus sommige hoorden we alleen, sommige zagen we half en half. En soms, als het pad vlak langs de rivier liep, zagen we er toch een die over tientallen meters naar beneden donderde. 

Langzaam maar zeker kwamen we in de buurt van Skogar. Nog 4,8 km stond er op een bord. Een enkele wandelaar kwam ons tegemoet, nog geen hordes toeristen. Wel verschenen er steeds meer afrasteringen om de kwetsbare natuur tegen belopen te beschermen. En toen een keer de watervallen een naam kregen – als eerste de Nedstifoss, later andere zoals de Skálabrekkufoss en de Steinbogafoss -, werd het echt drukker. Nog wel van sportieve toeristen. Pas toen het pad geen kleipad maar vlak zwart grindpad was geworden, verschenen er meer toeristen.

Opeens toch nog een moeilijke passage. Klimmen en klauteren over steile rotsen, niet wetend welke kant het pad opging. Vreemd dat de FI daar geen touwen of kettingen, of misschien wel bruggetjes geplaatst had. Zelfs geen aanwijzing voor een richting.  

Toen we die passage eenmaal gehad hadden, kreeg het vlakke pad aan beide zijden afrasteringen. En even verderop werd het pad tweemaal zo breed. Hordes bustoeristen kwamen ons nu tegemoet. Een enkeling stak zijn duim naar ons op, die begreep welke monstertocht we achter de rug hadden. 

Nu bereikten we de laatste waterval, de Skógafoss, de beroemdste uit de reeks en het makkelijkst bereikbaar. Die valt wel 60 m omlaag. Dat is waar toeristen op afkomen.

Maar wij waren er. Nog een lange, lange ijzeren trap, waarover mensen in gelid heen en weer de berg op- en afgaan en we waren beneden. Het was volbracht.